Blog

Crisis in de Kunstencentra

Dit artikel is inmiddels verschenen op de opiniesite Cultureel Kapitaal van het Landelijk Kennisinstituut Cultuureducatie en Amateurkunst (LKCA). Lees daar.

Gemeentelijke kunstencentra maken moeilijke tijden door. Vele lijken in een transformatieproces te zijn beland dat is afgedwongen door externe factoren. Dat maakt ze tot een speelbal in de wind; zowel het doel als de weg zijn onduidelijk. Zo'n situatie mag met recht een crisis heten. 
De directe aanleiding van veel onrust is de onwil danwel het onvermogen van de lokale overheid om op het oude, hoge, niveau financieel te blijven bijdragen. Dit krijgt vooral de aandacht en wordt door velen gezien als oorzaak van de crisis. 
Maar wellicht is het vruchtbaar om de positie van de centra te beschouwen vanuit een omgekeerd perspectief: de bezuinigingen zijn het gevolg van een crisis binnen de centra zelf.

Die bezuinigingen verlopen tamelijk geruisloos. Lokaal bestuur hoeft niet te vrezen voor wilde stakingen, massaal ondertekende petities en boze burgers. Evenmin wemelt het van de initiatieven om op een andere wijze voorzieningen in stand te houden.
Het overheersende beeld: als de subsidie wegvalt dan stopt het. Voor instituten die zolang hebben mogen opereren zonder de druk van een markt hebben zij blijkbaar weinig band met hun publiek. Het publiek gedraagt zich als een consument die of een deur verder gaat shoppen of simpelweg naar huis gaat.
Dit roept de bange vraag op: houden wij wel van onze kunstencentra? Zo niet, waar is het dan misgegaan?

Op zoek naar een antwoord beland ik snel in een dichte mist.  Het beeld van de kunstencentra is ongelofelijk diffuus. Waar te beginnen? Juist hierin is de oorzaak van de crisis te vinden.  
Kunstencentra hebben overwegend de bedrijfscultuur van het gemeentelijk ambtelijk apparaat waar ze uit voort zijn gekomen of nog deel van uitmaken. Ook al zijn ze verzelfstandigd, van je wortels kom je niet zomaar los.
De huisvesting is vaak in panden die bijdragen aan het prestige van de gemeente, maar die qua ligging en inrichting niet bedacht zijn voor een doelmatige exploitatie. Soms is er vooral een architectonisch hoogstandje voortgebracht - maar zijn ze voor de gewenste kunstbeoefening niet zo geschikt.
Het personeel is in dienst en valt onder een CAO die zich vergelijkt met het basisonderwijs, die echter wel volledig uit publieke middelen worden bekostigd. Los van gevoelens van rechtvaardigheid is dit onhoudbaar op het moment dat de inkomsten overwegend uit andere bron moeten komen. 
In deze instellingen moet kunst en cultuur gemaakt worden. De waarom-vraag daarvan is verre van eenduidig. Om het arbeidersvolk te verheffen. Om achterstandswijken omhoog te trekken. Om gemeenschapszin te bevorderen. Omdat de creative society eraan zit te komen. Om bewustwording, zelfverwezenlijking, de hele mens...., etc. Omdat,... - je die vraag soms niet behoort te stellen.
Met al haar activiteiten moet de instelling in de behoeften voorzien van velen: de wethouder, de city marketing, de professionals, de wijkregisseur, de cursisten en de ouders. Waarbij de behoeften binnen de groepen en disciplines bepaald niet uniform zijn. 

Al deze ingrediënten vormen samen een soep. Waarvan de cursist wekelijks,  dinsdagsavond's, een hapje mag nemen van 20.30 tot 21.05 uur. Tot veel passie leidt het niet. Maar, en dat is het belangrijkste in iedere bureaucratische organisatie, er gebeuren tenminste geen ongelukken. Daarom vermelden we al op de home-pagina van de website de contactpersoon ongewenste intimiteiten.  Al voordat de bezoeker enig idee heeft van wat intimiteit bij dans of pianospel inhoudt. 
Kijkend naar een aantal kunstencentra zijn er weliswaar incrementele aanpassingen gedaan op die organisatie die ze decennia geleden waren, maar de wezenlijke zijnsvragen zijn niet gesteld of sinds lang verwaarloosd. Daardoor weten ze zich onvoldoende te profileren. De liefde bij de deelnemer gaat niet diep en de legitimatie bij de gemeente is zwak onderbouwd. Dat is de werkelijke crisis.

Waar te beginnen? Hoe heet die persoon die bij u komt? Klant, cursist, leerling, of mede-kunstenaar? U of jij? Passant of onderdeel van een gemeenschap? Dit is de allerwezenlijkste vraag die u zich behoort te stellen. Die alles doordrenkt. 
Oogt uw website als een webwinkel dan heeft u klanten. Daarentegen, stap ik binnen bij tango El Corte dan weet ik na twee passen: dit is een huis. Hier ben je welkom en je kunt op verschillende niveau's deel uitmaken van deze gemeenschap. De consequenties van deze keuzes reiken ver. Heeft u klanten dan is de docent gecommitteerd om de eindpresentatie te doen slagen. Ontplooien uw deelnemers hun eigen kunstenaarschap dan is het aan hen. 
En die dodelijke term 'amateur'? Waarom zou je die eigenlijk gebruiken? Om je kunstenaars te beperken? Om te hoge verwachtingen tegen te gaan? Kunst is niet pas kunst als een voet in een nek gelegd kan worden. 

Waar te beginnen? Hoe heten uw medewerkers? Docenten, kunstenaars? Maken zij ook? Laten zij hun werk zien? Gaan zij elkaars werk zien?  Volgen zij bij elkaar lessen? Welke rol speelt uw instituut in hun verrijking? Geeft en voedt u aan hen of neemt u slechts - totdat het op is?

Waar te beginnen? Bent u de enige ster aan een verder donkere hemel of nodigt u andere centra uit om werk te laten zien, te delen? Raar? Uitwisseling is bij sportverenigingen de norm, zij het daar in de vorm van competitie.

Wat nu nodig is het opnieuw definiëren van een kunstencentrum. Niet je terugtrekken van de markt van volwassenen met als enige legitimatie dat je er geen geld aan kunt verdienen. Niet je dansaanbod uitkleden tot 'yogilates' en streetdance omdat er geen andere  vraag zou zijn.  En vooral, hoedt u om op een webwinkel te gaan lijken. In de rol van klant wissel ik de ene anonieme aanbieder zonder wroeging in voor een andere.

Overname alleen na voorafgaande toestemming.