Blog

Een balletschool: wat levert het op?

Dancetalk.nl is de blog van dansdocente Lisa. Op haar blog besteedt zij met regelmaat aandacht aan de financiële positie van haar beroepsgroep. Dat zijn geen vrolijke verhalen. Als een één-persoonsvakbond doet zij oproepen om slechte arbeidscondities niet te accepteren. In reacties op haar artikelen lees je ervaringen over freelance uurtarieven tussen de 20 en 30 euro. Maar is dat nu onvermijdelijk? Met twaalf jaar ervaring in het opkalefateren en goed besturen van een balletschool ben ik van mening dat het beter kan. Zelfs zonder dat daar subsidie voor nodig is is een redelijk uurtarief mogelijk . 

Ik begin met een rekenvoorbeeld en baseer me op realistische aannamen ten aanzien van tarieven en groepsgrootte. 

Ok, aan de slag. We gaan lesgeven, voor een redelijke prijs in een goede studio. Omdat we wel genoeg cursisten willen doen we voorzichtig aan met de prijs. De crisis is nog niet voorbij en veel met name ook jonge mensen zitten niet erg ruim bij kas. Daarom rekenen we voor een les van 75 minuten € 10.
We geven 33 lessen in een seizoen, wat zo'n beetje de norm is. Het cursusgeld wordt dan € 330, minder dan er nu in doorsnee in de Randstad en de steden daarbuiten wordt gevraagd.
Voor jongeren beneden de 21 hoeven we geen BTW af te dragen en kunnen we volstaan met een cursusprijs van € 273. 

Voor de grootte van de groep vinden we 15 cursisten goed te hanteren. Omdat slechts zelden iedereen er is (ziekte, verjaardagen, vertraging, werk etc.) accepteren we 17 inschrijvingen voor onze groep. We zorgen ervoor dat we die inschrijvingen ook binnenhalen.

Hieruit volgt onze bruto-omzet: 17 * 330 = € 5610. De BTW dragen we af zodat de netto-omzet wordt (100/121) * bruto-omzet = € 4636 Omgerekend per les is de netto-omzet € 140. Alle bedragen rond ik af naar beneden op de hele euro. 

Hoe gaan we dat geld inzetten? In mijn opinie is een kunstbedrijf goed te besturen met het directe kostenmodel. Dit is een veel gehanteerd model in de commerciële dienstensector, bijvoorbeeld door adviesbureaus. Die zijn in zoverre vergelijkbaar dat het daar ook gaat om hooggekwalificeerd werk waarbij loonkosten veruit de grootste post zijn.

We hanteren het directe kostenmodel op een oersimpele wijze, waarbij we drie kostensoorten  onderscheiden: directe kosten, overhead en marge. 
We verdelen de netto-omzet als volgt:

  • 65% directe kosten; docent en studio: € 91 per les
  • - 25% overheadkosten: € 35 per les
  • - 10% ondernemersrisico/ winst: € 14 per les. 

Dit zijn de cijfers waarop we gaan sturen.

Omdat onze les 75 minuten duurt rekenen we voor de directe kosten ook het bedrag uit per klokuur: € 72.
Die verdelen we in 
- € 50 voor de docent; 
- € 22 voor de studio.
Omdat we de BTW al hebben afgedragen praten we nu over bedragen ex btw die we kunnen besteden. M.a.w: een freelance docent krijgt € 50 + BTW  - en draagt de BTW weer af.

Het genoemde bedrag voor de huur van een studio is reëel voor incidentele huur. Huur je  voor een langere periode en meerdere lessen dan moet je beter kunnen uitkomen.
De € 50 voor de docent is het totaal aan kosten wat je maakt voor de docent. Dit is dus óf het freelance tarief óf een loonsom inclusief alle werkgeverslasten als de docent in dienst is. 

We gaan er keihard vanuit dat iedere les vol is. Daarvoor plannen we een aanzienlijke post voor marketing in de overhead. Is een les toch niet helemaal vol dan gaat dat ten laste van de marge, de ondernemerswinst. Niet ten laste van de docent. Lang leve het directe kostenmodel!

Wat betekent dit voor een docent? 40 uur per week lesgeven is onhaalbaar. Ik neem wederom een standaard uit de commerciële dienstverlening over; de norm dat je 60 procent van je tijd facturabel bent. Je geeft dan dus 24 klokuren per week les. Dat zijn bijvoorbeeld 19 lessen van 75 minuten. Dat is prima te doen, ook met dans. 
Als freelance docent draai je dan een netto-omzet van € 31350 per jaar, op basis van de lessen die je gedurende 33 weken geeft. Doe je er nog wat zomer, herfst en winterdingen bij dan wordt het nog fraaier. Daarvoor heb je ook genoeg tijd. De norm voor vakantie in Nederland is 25 vakantiedagen bij een voltijds werkweek en Lisa kan dan ook echt op vakantie, in plaats van dat ze weer noodgedwongen thuis moet blijven 

Wat betekent het voor de school? Iedere les levert 1155 euro op voor overheadkosten. Met een goed ingerichte inschrijving via web en geautomatiseerde administratie kun je een school van 700 - 1000 cursisten managen in 20 uur per week.

Bovenstaand rekenvoorbeeld toont aan dat het probleem niet in het geld zit. Natuurlijk moet je je lessen vol hebben, maar de eis van een hoge bezettingsgraad geldt ook voor ieder garagebedrijf, iedere kapper en iedere sportschool. Waarom is het bij veel scholen dan toch zo moeizaam? 

Het afgelopen jaar hebben we onderzoek gedaan naar balletscholen in verband met een softwareproduct dat we wilden aanbieden. Dat laatste hebben we overigens vooralsnog uitgesteld.
We hebben scholen bezocht, organisaties gesproken en meer dan 150 websites van balletscholen gestructureerd bekeken. Om met dit laatste te beginnen: er was niet één website die op orde was op primaire criteria als wanneer, waar, wat, door wie, hoe duur.

Daarnaast stuitten we op aankondigingen van Sinterklaasfeesten van drie jaar terug, lesroosters van een vorig seizoen en heel, heel veel andere issues.Soms werkte het technisch niet.  'Lichtere vergrijpen' zoals het wel benoemen van kleding voor meisjes en niet voor jongens laten we dan nog maar aan ons voorbijgaan. Het was eigenlijk in een woord: bedroevend.

In onze analyse van de markt zijn we gekomen tot een viertal typen van dansbedrijven: 'hobbyisten', 'eenzame sterren', 'zelfstandige scholen' en 'kunstencentra'. 

De hobbyisten zijn - bijna altijd - vrouwen die een 'schooltje' hebben om hun 'passie' uit te leven, maar hun partner brengt - hopelijk - het geld binnen. Dit kunnen we geen ondernemers noemen. Ze zijn eigenlijk niet op zoek naar professionalisering, groei en kwaliteit. 

De 'eenzame sterren' zijn helden die proberen te leven van hun school, maar bij een bepaalde omvang al snel tegen hun eigen grenzen aanlopen. Ze werken zich uit de naad en verdienen bar slecht. Hebben zij personeel dan zullen zij aan hen vertellen dat weinig verdienen er nou eenmaal bij hoort. Na een aantal jaren zijn ze niet zelden zo eigenwijs dat verandering moeilijk te bereiken is. Zij grossieren in zelf gecreëerde werkelijkheden zoals: automatische incasso kun je in deze regio echt niet doen.

Het derde type is die van de zelfstandige school met een aanzienlijk aantal leerlingen en een aantal docenten in dienst. De zaken zijn op orde en deze scholen zijn prima te exploiteren. Tegenvaller: dit type scholen is nogal zeldzaam. 

De Kunstencentra, het vierde type, is een heel ander type organisatie die we hier verder buiten beschouwing laten. 

Tot slot, waarom hebben we besloten om de software waarmee de bedrijfsvoering verregaand is te automatiseren niet verder uit te brengen? Het antwoord: uit het onderzoek is ons gebleken dat er veel drempels zijn die een organisatiekundig karakter hebben - een beperkte mindset -  en die los je niet op door automatisering.  Waar de wil niet is kan een computer niets betekenen. 

Overname alleen na voorafgaande toestemming.